Tabari

Tafseer van De Opstanding · Al-Qiyaama · 75:23

إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٌۭ

Naar hun Heer zullen zij zien.

Belangrijk: De Arabische brontekst is altijd leidend. Deze vertaling is een studiehulp en is niet geverifieerd door geleerden — gebruik haar niet als bron voor religieuze bewijsvoering of het afleiden van oordelen (ahkam). Raadpleeg bij twijfel altijd de Arabische tekst en een bevoegde geleerde.

Tabari (1 passage)

  1. Volledige NL-vertaling van Tabari's tekst

    Zijn uitspraak: wujūhun yawmaʾidhin nāḍiratun (gezichten zullen op die Dag stralend zijn). De Verhevene, geprezen is Zijn vermelding, zegt: gezichten zullen op die Dag — dat wil zeggen op de Dag der Opstanding — stralend zijn. Hij zegt: schoon en mooi door de gelukzaligheid. Men zegt daarvan: naḍura wajhu fulān (het gezicht van die-en-die straalde), wanneer het schoon wordt door de gunst; en naḍḍara Allāhu wajhahu (Allah deed zijn gezicht stralen), wanneer Hij het aldus verfraait.

    De uitleggers verschilden hierover. Sommigen zeiden wat wij erover hebben gezegd.

    * Vermelding van wie dat zei:

    Muḥammad ibn Ismāʿīl al-Bukhārī heeft mij verteld, hij zei: Ādam heeft ons verteld, hij zei: al-Mubārak heeft ons verteld, op gezag van al-Ḥasan: wujūhun yawmaʾidhin nāḍiratun hij zei: schoon.

    Abū Kurayb heeft ons verteld, hij zei: Wakīʿ heeft ons verteld, op gezag van Sufyān, op gezag van Manṣūr, op gezag van Mujāhid: wujūhun yawmaʾidhin nāḍiratun hij zei: het stralen (nuḍra) van de gezichten is hun schoonheid.

    Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Mihrān heeft ons verteld, op gezag van Sufyān, op gezag van Manṣūr, op gezag van Mujāhid, hetzelfde.

    Yūnus heeft mij verteld, hij zei: Ibn Wahb heeft ons bericht, hij zei: Ibn Zayd zei betreffende Zijn uitspraak: wujūhun yawmaʾidhin nāḍiratun hij zei: al-nāḍira: de welvarende, in gelukzaligheid verkerende.

    Ibn Bashshār heeft ons verteld, hij zei: ʿAbd al-Raḥmān heeft ons verteld, hij zei: Sufyān heeft ons verteld, op gezag van Manṣūr, op gezag van Mujāhid: wujūhun yawmaʾidhin nāḍiratun hij zei: de schone gezichten.

    Ibn Ḥumayd heeft ons verteld, hij zei: Jarīr heeft ons verteld, op gezag van Manṣūr, op gezag van Mujāhid: wujūhun yawmaʾidhin nāḍiratun hij zei: van de vreugde, de gelukzaligheid en de welbehaaglijkheid.

    Anderen zeiden: veeleer is de betekenis hiervan dat zij verheugd zijn.

    * Vermelding van wie dat zei:

    Muḥammad ibn ʿAmr heeft mij verteld, hij zei: Abū ʿĀṣim heeft ons verteld, hij zei: ʿĪsā heeft ons verteld; en al-Ḥārith heeft mij verteld, hij zei: al-Ḥasan heeft ons verteld, hij zei: Warqāʾ heeft ons verteld — beiden op gezag van Ibn Abī Najīḥ, op gezag van Mujāhid, betreffende Zijn uitspraak: wujūhun yawmaʾidhin nāḍiratun hij zei: verheugd, ilā rabbihā nāẓiratun (naar haar Heer kijkend).

    De uitleggers verschilden over de uitleg hiervan. Sommigen zeiden: de betekenis hiervan is dat zij naar haar Heer kijkt.

    * Vermelding van wie dat zei:

    Toon originele Arabische tekst
    وقوله: ( وُجُوهٌ يَوْمَئِذٍ نَاضِرَةٌ ) يقول تعالى ذكره: وجوه يومئذ، يعني يوم القيامة ناضرة: يقول حسنة جميلة من النعيم؛ يقال من ذلك: نَضُر وجه فلان: إذا حَسُن من النعمة، ونضَّرَ الله وجهه: إذا حسَّنه كذلك. واختلف أهل التأويل في ذلك، فقال بعضهم بالذي قلنا فيه. * ذكر من قال ذلك: حدثني محمد بن إسماعيل البخاري، قال: ثنا آدم، قال: ثنا المبارك، عن الحسن ( وُجُوهٌ يَوْمَئِذٍ نَاضِرَةٌ ) قال: حسنة. حدثنا أبو كُريب، قال: ثنا وكيع، عن سفيان، عن منصور عن مجاهد ( وُجُوهٌ يَوْمَئِذٍ نَاضِرَةٌ ) قال: نُضرة الوجوه: حُسنها. حدثنا ابن حميد، قال: ثنا مهران، عن سفيان، عن منصور، عن مجاهد، مثله. حدثني يونس، قال: أخبرنا ابن وهب، قال: قال ابن زيد، في قوله: ( وُجُوهٌ يَوْمَئِذٍ نَاضِرَةٌ ) قال: الناضرة: الناعمة. حدثنا ابن بشار، قال: ثنا عبد الرحمن، قال: ثنا سفيان، عن منصور، عن مجاهد: ( وُجُوهٌ يَوْمَئِذٍ نَاضِرَةٌ ) قال: الوجوه الحسنة. حدثنا ابن حميد، قال: ثنا جرير، عن منصور، عن مجاهد ( وُجُوهٌ يَوْمَئِذٍ نَاضِرَةٌ ) قال: من السرور والنعيم والغبطة. وقال آخرون: بل معنى ذلك أنها مسرورة. * ذكر من قال ذلك: حدثني محمد بن عمرو، قال: ثنا أبو عاصم، قال: ثنا عيسى، وحدثني الحارث، قال: ثنا الحسن، قال: ثنا ورقاء، جميعا عن ابن أبي نجيحٍ، عن مجاهد، في قوله: ( وُجُوهٌ يَوْمَئِذٍ نَاضِرَةٌ ) قال: مسرورة ( إِلَى رَبِّهَا نَاظِرَةٌ ) . اختلف أهل التأويل في تأويل ذلك، فقال بعضهم: معنى ذلك: أنها تنظر إلى ربها. * ذكر من قال ذلك: