Tafseer van De Romeinen · Ar-Room · 30:51
Maar als Wij een wind zonden, waarna zij (hun gewassen) geel zien worden, dan blijven zij zeker daarna ongelovig.
Belangrijk: De Arabische brontekst is altijd leidend. Deze vertaling is een studiehulp en is niet geverifieerd door geleerden — gebruik haar niet als bron voor religieuze bewijsvoering of het afleiden van oordelen (ahkam). Raadpleeg bij twijfel altijd de Arabische tekst en een bevoegde geleerde.
De uitleg van de uitspraak van de Verhevene: وَلَئِنْ أَرْسَلْنَا رِيحًا فَرَأَوْهُ مُصْفَرًّا لَظَلُّوا مِنْ بَعْدِهِ يَكْفُرُونَ (30:51) ("En als Wij een wind zouden zenden en zij het [gewas] verdord-geel zouden zien, dan zouden zij daarna zeker ondankbaar blijven worden.")
De Verhevene, wiens vermelding verheven is, zegt: En als Wij een wind zouden zenden die bederft wat de regen, die Wij uit de hemel hebben neergezonden, heeft doen ontkiemen, en dezen — die Allah met die regen heeft getroffen, waardoor hun landerijen tot leven kwamen, gras voortbrachten en waardoor hun gewassen ontkiemden — dan zouden zien dat wat hun landerijen met die regen aan gewas hebben doen opkomen verdord-geel is geworden, bedorven door die wind die Wij hebben gezonden, zodat het na zijn groenheid geel is geworden — dan zouden zij na hun verheuging en hun blijdschap erover zeker ondankbaar (kāfir) blijven worden jegens hun Heer.